GESCHIEDENIS ALFRED JODOCUS KWAK

 

Toen onze kinderen nog klein waren
schreef ik voor het eerst
over Alfred Jodocus Kwak.
Dat kwam door een paar gebeurtenissen. 


Op een avond reed ik in mijn auto

door de polder naar huis
en ben toen per ongeluk
tegen een overstekende eend aangereden.
Vond dat heel verdrietig. 

 

Die nacht droomde ik

dat ik een hardgekookt ei was

en in het eierdopje

van een reusachtige eend stond.

Schreef toen

's morgens om vier uur

drie treurige liedjes

voor een eend.


Een paar dagen later
zat ik thuis aan de telefoon
en zag ondertussen

hoe een moeder eend met zeven kuikentjes
door onze tuin waggelde. 

Zou mijn dode eend

hun vader zijn?

De meneer met wie ik aan de telefoon zat te praten,
was de baas van een symfonieorkest.
Hij vroeg of ik een oud sprookje kon schrijven
en of ik dat dan kon komen vertellen
en zingen.
Zij zouden dat dan
mooi kunnen begeleiden.

Terwijl ik zat te kletsen

met de man aan de telefoon
dacht ik:
zou die moeder eend misschien
haar man zoeken?
En hoe leg je een eend uit
dat je een andere eend
hebt doodgereden?

“Hallo, hallo,”

zei de stem in de hoorn van de telefoon,
“Wat denkt u?”
“Ik denk aan een eend,” antwoordde ik.
De man zei: “Prima.
U schrijft dus voor ons

een oeroud sprookje over een eend.”
En zo werd Alfred Jodocus Kwak geboren,
per ongeluk. 

Uit drie versjes

en een nachtmerrie.

De uitvoering van het verhaal
werd een groot succes.
We speelden het ‘s middags
voor alle schoolkinderen van Den Haag
en ‘s avonds

voor wie het ook nog wilde zien en horen.
Het geld dat we overhielden
gaven we aan UNICEF.
Dat is een heel goed doel.

We speelden verschillende sprookjes van Kwak
daarna in heel veel landen.
We maakten van die voorstellingen

grammofoonplaten,

gedichtjes.

En zo kwam van het één het ander:
boekjes, een stripboek

met tekeningen van Harald Siepermann,
een tekenfilmserie van 52 delen
die in bijna de hele wereld werd vertoond.

Er kwam van alles:
stapels spullen, boeken, platen,
video’s, dvd’s, dingen en dingetjes.
En vaak ging en gaat nog steeds
veel geld naar goede doelen.
Langzamerhand
werd Alfred Jodocus Kwak
wereldberoemd.

Heb me wel eens afgevraagd:
hoe dat toch komt?
Misschien omdat Alfred zo écht waar is.
Omdat hij zich bij alles wat hij ziet en doet
telkens weer afvraagt: “Waarom?”
En: “Is dat goed?”

Ik denk dat hij zal leven,
totdat er niets meer valt te geven.

 

Herman van Veen